De mens, en wat hij maakt

De caissière rekent een kaarsenstandaard en een borrelglaasje af. ‘Een vijftig alstublieft’, zegt ze terwijl ze het glaasje voorzichtig in een oude krant verpakt. De klant is een oude heer met stok, hij wil pinnen. ‘Dat kan even duren hoor,’ verontschuldigt het kassameisje zich, ‘het pinapparaat is nogal langzaam.’ Ondertussen peutert ze wat kaarsvet uit de standaard.

schermafbeelding-2017-03-23-om-17-32-23Een jong stel slentert hand in hand door de winkel. Ze dragen allebei een klein rugzakje, hij heeft ook nog een lang vlechtje in zijn nek. ‘Ik dacht, misschien hebben ze een koffiegrinder maar die hebben ze niet’, zegt zij spijtig tegen hem. Ze kijken nog even rond maar lopen uiteindelijk zonder iets te kopen naar buiten. De Utrechtse Oudegracht op, waar kringloopwinkel De Arm gevestigd is.

Een Chinese man in een felblauwe windstopper heeft duidelijk meer geluk. In zijn mandje heeft hij al een koffertje, een stenen vaasje en een onduidelijk apparaatje verzameld. Door zijn moderne bril speurt hij in de vele kasten naar nog meer moois. Er staat glaswerk, veel Nastro Azzurri bierglazen. Talloze kop-en-schotels die voor een habbekrats de deur uit mogen. Met een prijsstickertje van een euro zijn ze het duurste serviesgoed. De meterslange boekenkasten zijn gevuld met literatuur en lectuur in allerlei talen, op alfabet wachtend om weer gelezen te worden. Wie zal er nog smullen van een beduimelde Paul Biegel, wie griezelen om Roald Dahls verhalen, met ezelsoren? Iets minder geordend zijn de rijen en rijen videobanden. Een eeuw aan cinema voor een paar dubbeltjes per stuk. Grote en minder grote sterren, in de kringloopwinkel is iedereen gelijk. De kasten in het midden van de winkel bevatten een complete uitzet – stoommandjes, soepkommen voor hem en haar, notenkrakers, noem maar op. Bebloemde tegeltjes onderrichten de struinende bezoeker met stichtelijke spreuken: ‘Een dwaas leeft arm om rijk te sterven.’ Het tegeltje kost een euro.

img_4291De ingang is sfeervol verlicht door het assortiment schemerlampjes. Een vierkante van Ikea, een ouderwetse met een zware metalen poot, een nachtlampje in de vorm van een maan. Op een groen kapje met vlinders zit een stickertje ‘gek lampje, vier euro vijftig’. Ze zijn allemaal getest, staat er op een klein bordje. ‘Checken mag! Kan bij de kassa.’ Een oude dame met creatieve oorbellen bekijkt samen met drie Japanse toeristen de wijnglazen in het schap ernaast.

Bij de kassa staat een dame in een rode jas, diep weggekropen in haar zwarte verensjaal. Verlegen spreekt ze de medewerkster achter de kassa aan. Die reageert vriendelijk en wil wel een praatje maken, over de winkel en het weer. Na een tijdje verontschuldigt de caissière zich; er moeten nog een boel nieuw binnengekomen artikelen geprijsd worden. Want als een artikel niet geprijsd is, is het niet te koop, weten de klanten door het bordje verderop. ‘Dan ga ik even spullen scoren’, zegt de dame in de rode jas. Ze doet een pas opzij om twee wat bredere dames langs te laten. De ene, Mieke, zegt voor de derde keer tegen vriendin Wil op te passen voor het opstapje dat de winkel in tweeën verdeelt. Wil stapt er voorzichtig overheen.
Haar sinaasappelpers is kapot zegt Mieke, terwijl Wil al een eindje verder loopt. Mieke voegt zich weer bij haar en samen lopen ze door de smalle winkelpaadjes. Ze zijn verrukt over wat de kringloop allemaal te bieden heeft.
“Ach dat weegschaaltje had ik vroeger ook.”
“Hé, een oude stamper voor stamppot.”
“Wel onhygiënisch.”
“Maar hij kan toch in de afwasmachine?”

img_4292De dame in de rode jas spreekt een andere medewerker aan. Ze heeft een theedoosje in haar hand en vraagt om zijn mening. Is het wel groot genoeg? Haar zwarte verensjaal hangt nu losjes om haar hals. Ze babbelen een beetje over theeleuten en koffiedrinkers tot hij weer verder moet, helpen bij de kassa. De Chinees in de blauwe windstopper moet uiteindelijk acht vijftig afrekenen en geeft een briefje van vijftig. ‘Heeft u kleiner?’, vraagt de caissière, maar dat heeft hij niet. Ze telt het wisselgeld. Een tasje mag hij van onder de toonbank pakken.

Er blijkt ook nog een kelder te zijn. Twee heren komen de trap op. ‘Waar is mijn vrouw?’, vraagt de langste van de twee. Het blijken de mannen van Mieke en Wil te zijn. Niek en Tom heten ze. Niek is lang en stevig, Tom klein en smal. Allebei hebben ze glinsterende ogen die ze goed de kost geven. Vooral Tom kijkt met een bijna dromerige verwondering naar al het tweedehands moois.

Mieke begint weer over haar pers die kapot is. ‘Oh’, zegt Mieke’s man Niek, ‘er staat beneden een citruspers zag ik.’
‘Nou, die wil ik zien’, zegt Mieke. Ze geeft haar man een kneepje in zijn arm. De vrouwen gaan de keldertrap af. Ook hier waarschuwen ze elkaar om beurten. ‘Kijk uit op de trap, Wil.’
‘Kijk jij maar uit, het is een steile trap.’

De dame in de rode jas staat bij de elektrische apparaten met weer een andere medewerker te kletsen, een dunne vrouw met nog dunnere wenkbrauwen. Het theedoosje is teruggelegd, de dame heeft nu een plastic vogeltje met echte veren in de hand. Ze praten over parkeren in de binnenstad. De dame friemelt onderwijl zenuwachtig met het vogeltje. Twee eerstejaars studentes giechelen hees terwijl ze een ouderwetse koffiemachine onderzoeken. Ze overwegen een broodrooster aan te schaffen, maar besluiten ‘dat dat nieuw ook geen drol kost’. De toaster met lichte roestplekken laten ze dus maar staan.

Terwijl Mieke en Wil in de kelder zijn, becommentariëren hun mannen ondertussen een messenset. Ze bekijken een oud broodmes, het is niet veel meer. ‘Een paar keer slijpen en het is bot’, zegt Tom cryptisch. Niek zwijgt even. ‘Mooie spullen en een vrouw om mee te lullen’, antwoordt hij dan olijk.

schermafbeelding-2017-03-23-om-17-33-29Het wordt steeds drukker in de winkel. Een jonge vader laat z’n blonde dochters rondrennen met een houten karretje dat ze vonden. In de strijd om zijn aandacht moesten de meisjes het afleggen tegen de stripboeken. Hele stapels Suske & Wiske, Guust Flater, Mickey Mouse en Asterix & Obelix, goed voor een flinke portie jeugdsentiment. Hij is weer terug in de tijd dat een klein dorpje in Gallië onoverwinnelijk was, Wiske in elk allitererend avontuur opnieuw haar Schanulleke verloor, en hij een jochie was. Zijn dochtertjes rennen joelend rond en rijden hun karretje bijna tegen een mevrouw aan. De vrouw van eind veertig merkt het niet en bekijkt aarzelend een houten bakje met in plastic verpakte Turkse zeepjes. Ze neemt ze toch maar niet.

De dame in de rode jas verlaat ten langen leste de kringloopwinkel, haar sjaal in de hand. Ze koopt niets maar kijkt vrolijk. Aan de wand waar ze voorbij loopt hangt het motto van de kringloopwinkel. ‘Alles vindt zijn bestemming. De mens, en wat hij maakt.’

De citruspers in de kelder was niet wat Mieke voor ogen had, dus wat haar betreft is het wel mooi geweest. Ook Wil en Niek vinden het wel goed zo en lopen richting de uitgang. Vandaag zit er even niks bij, zeggen ze verontschuldigend als ze de kassa passeren. De caissière lacht vriendelijk dat het niet uitmaakt. Tom staat nog bij de spiegels, hij vindt de lijsten mooi. Dan ziet hij dat de andere drie al buiten staan en spoedt zich naar hen toe. In de haast struikelt hij over het afstapje dat hij nog niet had opgemerkt. Gelukkig valt hij niet en voegt zich bij hen. ‘Struikelde jij nou over dat afstapje?’ vraagt Wil haar man. Tom grinnikt vergoelijkend en geeft haar een arm.